OVERDENKING, zomer 2008

 

Over de actualiteit van Paulus ........


In het verhaal uit het Handelingenboek over de apostel Paulus op de Areopagus te Athene, dat te vinden is in het 17e hoofdstuk, vss. 15-34, ontmoeten we een gedreven mens, die zich er heel wel van bewust was dat hij in een verdeelde en zondige wereld leefde; al was hij dan wel vaak pessimistisch gestemd, hij bleef toch optimist.


Lees daarover verder ........


door Jeanne Traas-Hageman



Het feit dat we het over Paulus hebben, houdt verband met het initiatief van Paus Benedictus de 16e, op zondag 27 juni 2008, dat het komende jaar Paulusjaar kan worden genoemd. De gronden waarop de Paus dit doet zijn historisch waarschijnlijk onjuist, (de paus beschouwt Paulus namelijk als de stichter van de christelijke wereldkerk) maar het is toch aardig om eens aandacht te schenken aan een episode uit het leven van Paulus, over wie zoveel verschillende verhalen de ronde doen, en wiens geschriften zo vaak uitgangspunt zijn geworden van allerlei vooroordelen.


In het genoemde verhaal maken we kennis met de reiziger Paulus. Hij is geboren als Saulus in Tarsus, in het Zuid-Oosten van Turkije (als je zoals ik in Twente woont kom je nogal eens Syrisch-Orthodoxe Christenen tegen en dan denk je wel eens "die komen uit dezelfde streek als waar Paulus werd geboren"). Afkomstig uit joodse kring wordt hij opgeleid bij rabbi Gamaliël in Jeruzalem, en met argusogen kijkt hij naar de toename van het aantal "mensen van de Weg", zoals de volgelingen van Jezus van Nazareth worden genoemd. Die term, waarover ook het door Lucas geschreven Handelingenboek vertelt, aan het begin van het 9e hoofdstuk, verwijst naar een oer-joodse houding. Die houding vraagt niet zozeer in eerste instantie aan de mens: "Wie ben je?" maar: "Welke weg ga je?"


Volgelingen van Jezus van Nazareth kenden de weg van hun voorganger: het betekende: trouw zijn aan het hart van de Tora, die ook wel genoemd wordt : De Gulden Regel: "Doe een ander niet aan wat je niet wilt dat jou wordt aangedaan. Ga heen en leer dit!" (Onlangs, op 24 mei 2008, heeft de engelse historica Karen Armstrong, toen ze in Middelburg de Four Freedoms Medal voor Religieuze Vrijheid ontving, in haar dankwoord deze Gulden Regel weer herhaald!) De formulering zoals hierboven wordt toegeschreven aan rabbi Hillel, een tijdgenoot van rabbi Jezus van Nazareth. Jezus zelf heeft de Regel overigens op positieve wijze geformuleerd: in het evangelie naar de beschrijving van Mattheus, 7,12, staat: "Dus alles wat gij wilt dat de mensen voor u doen, doe ook gij zo voor hen; want dat is de Wet en de profeten". We weten dat Jezus door vast te houden aan die Weg door het diepste dal ging, maar terugkwam, opgewekt werd! Want de Weg die wordt geinspireerd door de Gulden Regel is ten diepste humaniserend, en zal altijd nodig blijven in onze soms wel heel onmenselijke werkelijkheid.


Saulus, als ijveraar van de joodse gemeente, streed tegen de mensen van de Weg. Eens, op weg naar Damascus, krijgt hij een mystieke ervaring en begrijpt dat zijn nogal gewelddadige weg niet de goede weg is. Hij "keert om". Vanaf dat moment heet hij anders, Paulus, en hij sluit hij zich aan bij de mensen van de Weg, en gaat op reis, om als bode, als gezant, als apostoulos, te getuigen van de weg van Jezus van Nazareth. De Opgestane, die spoedig zal terugkeren. Want dat was een sterk geloof in die dagen: de terugkeer van Jezus was ophanden!


Zijn reis gaat niet vanzelf. Na verblijf in Filippi en Thessaloniki, waar de mensen het hem moeilijk maakten, hij werd zelfs vaak verdacht gemaakt, komt hij te Athene. Op zijn reizen volgde hij altijd een vast patroon: zodra hij ergens aankwam ging hij eerst naar de synagoge, om begrip te vinden bij de mensen daar, omdat het verhaal over het geloof van Jezus nu eenmaal zo sterk geworteld was in de Tora! Maar in afwachting van mensen die hem verder de stad Athene in zullen leiden, loopt hij er rond en ziet een veelheid van stenen beelden staan, die, zoals we van de antieke wereld weten, in de gestalte van goden verbeeldingen zijn van aspecten van mens-zijn. Hij raakt ook in gesprek met Stoische filosofen, en met Epicureers, die als Stoici weer een extra accent leggen. Zo beschouwen de Stoicijnen de natuur als een eenheid, als ze het over god hebben zeggen ze : god is Geest, en ook: de wereld is wijs ingericht!, en deugd is: leven volgens de rede en de natuur. En de Epicureers zijn het daarmee eens, en onder leiding van Epicurus beoefenen ze onderlinge vriendschap en ze leggen tuinen aan, als project om die vriendschap ook steeds te beleven en te voeden!


Zo loopt Paulus temidden van al die mensen rond, en zij vinden hem eigenlijk maar een vreemde praatjesmaker, met zijn verhaal over de Opstanding. Was dat soms ook een godin?

Ze roepen hem naar de Areopagus, een rotsplateau, halverwege de Acropolis en de markt, de plek in de stad waar mensen door middel van hoorzittingen elkaar vragen stelden. De Areopagus was de plek in de stad die gewijd was aan Ares, de god van de oorlog,daar werd rechtgesproken. Op die plek moet Paulus zich verantwoorden, hij ondergaat een hoorzitting! Op hem wordt het griekse begrip apostomatizoo toegepast: "iemand worden de woorden van de mond gelezen, om hem te vangen of te ondervragen".


Het is ontroerend je voor te stellen hoe hij daar eenzaam staat, en getuigt over de mens die heeft voorgeleefd wat liefde doet! En hij stipt aan dat hij iets opmerkelijks vond in de stad: een sokkel met daarop de tekst: "voor een onkenbare god". "Daar wil ik het met U over hebben", zegt Paulus dapper. Hij schetst zijn godsbeeld. God is schepper, "door hem bewegen wij, leven wij en zijn wij, zoals ook enkele dichters bij u hebben gezegd", zegt hij en drukt daarmee zijn kennis uit van de cultuur van Athene! En uit God komt een mens als Jezus voort die de rechtvaardige bij uitstek is en de mensen een onsterfelijk voorbeeld van humaniteit heeft laten zien. Jezus als tora-getrouwe, die vanuit zijn hart leeft.


In feite verwijst Paulus met dit optreden naar Mozes, die in de woestijn, op het moment van zijn roeping tot leiderschap, ook al vroeg naar: als god bestaat, hoe dan? Hoe is je Naam dan? En als antwoord krijgt hij: ga maar, leef, maar vanuit je hart!, en ik zal er bij zijn. Het is het bemoedigende antwoord dat we niet alleen zijn, en dat het instrument van de tora behulpzaam zal zijn om menselijkheid te brengen in de wereld. God is en blijft in dat alles een mysterie!


Het actuele van het verhaal van Paulus ligt voor mij onder andere in het unieke karakter van het leven-vanuit-de-Tora, als gods partner! De mens die bijdraagt aan het humaniseringsproces. Daarvoor is liefde nodig, en vrijheid, en aandacht voor het 2e gebod!


Want dit verhaal maakt ook dat 2e gebod duidelijk. Dat gebod luidt:


"Je zult voor jezelf geen beeld maken of enige gestalte van wat in de hemel daarboven is, van wat op de aarde hieronder is, van wat in de wateren onder de aarde is", maar vooral: "Je zult je daarvoor niet neerwerpen en je zult er geen knecht van zijn."


Paulus op de Areopagus relativeert alle beelden die zij daar zo belangrijk vinden. Hij gaat niet zozeer in op de vraag of je nu wel of niet beeldhouwer kunt worden. Het gaat veeleer om dat tweede deel van het gebod: "Word geen slaaf van geen enkel beeld dat je je maakt!" Hij wijst op de vrijheid, op de ruimte waarover wij beschikken om te kunnen bewegen!


In onze moderne cultuur, die zeer zeker als beeldcultuur kan worden gekarakteriseerd, zien we in dat velen gebruik maken van een beeld om zelf iemand te worden. De beelden van onze tijd zijn identificatie-hulpmiddelen: denk aan voetballers en andere iconen van de sport (zeker in deze dagen van de Olympische Spelen in Beijing, waar het belangrijkste is dat je de eerste en de beste wordt!), pop-idolen zoals Madonna, figuren uit de film Sex and the City en noem maar op! Identificatie-hulpmiddelen hebben we nodig, alleen, om met de woorden van het 2e gebod te spreken: word er geen slaaf van, behoud je vrijheid!


De zwitserse toneel-en romanschrijver Max Frisch heeft in een van zijn dagboeken 1946-1949 een prachtige tekst geschreven met als titel: "Gij zult U geen beeld maken", en daarin beschrijft hij hoe je in feite zou moeten kunnen leren leven met ": het geheim dat de ander is". De vertaling is van Hans W. Bakx


GIJ ZULT U GEEN BEELD MAKEN - Max Frisch


Het is opmerkelijk dat wij juist van degeen die wij het meest liefhebben het minst kunnen zeggen hoe hij is. Wij houden gewoon van hem (van haar). En precies dat is nu het wonder van de liefde: zij houdt ons in het onzekere, de onzekerheid van het leven zelf, en door haar blijven wij bereid iemand te volgen, hoe en in welke richting hij of zij zich ontplooit. Wij weten dat ieder, wanneer men van hem houdt, zich een ander voelt, opbloeit, en dat ook voor degene die liefheeft alles opbloeit, het vertrouwde, het al lang bekende. Veel ziet hij als voor de eerste maal. De liefde maakt het los uit elk verstard beeld. Dat is het stimulerende, het avontuurlijke, het eigenlijk spannende, dat wij op degenen van wie wij houden niet uitgekeken raken &ndash omdat we van hen houden, zolang we van hen houden. Men hoeft alleen maar te luisteren naar de dichters, wanneer zij verliefd zijn: als beneveld tasten zij naar vergelijkingen, ze nemen hun toevlucht tot alle dingen in het heelal, van bloemen tot dieren en van wolken tot sterren en zeeën Waarom? Als het heelal, als gods oneindige uitgestrektheid, grenzeloos, vol van alles wat bestaanbaar is, vol van alle geheimen, zo is de mens die liefheeft: ongrijpbaar en onbegrijpelijk.


Alleen de liefde verdraagt hem zo.


Waarom reizen wij? Eveneens om mensen te ontmoeten die niet denken ons eens en voor al te kennen, om nog éenmaal te ervaren wat in dit leven mogelijk is. Het is toch al geen overdaad.


Als we denken het andere te kennen, is dat het einde van de liefde, telkens opnieuw, maar oorzaak en gevolg liggen misschien anders dan wij geneigd zijn aan te nemen. Niet omdat wij het andere kennen loopt onze liefde op haar einde, maar omgekeerd: omdat onze liefde op haar einde loopt, omdat haar kracht is uitgeput, daarom zijn wij op de persoon in kwestie uitgekeken. Dat is onvermijdelijk. Wij kunnen niet meer! Wij geven te kennen niet langer bereid te zijn op verdere veranderingen in te gaan. Wij ontzeggen de ander het recht van alles dat leeft, het recht om ongrijpbaar te blijven, en tegelijk zijn we verwonderd en teleurgesteld dat onze relatie niet meer levend is.


"Je bent niet" zegt de teleurgestelde man of vrouw, "waarvoor ik je heb aangezien".

En waarvoor heeft men elkaar dan aangezien?


Voor een geheim, dat de mens hoe dan ook is, een prikkelend raadsel, dat we nu niet langer wensen te verdragen. Men maakt zich een beeld.


Dat is het liefdeloze, het verraad.


Terug