OVER DE VLOEIBARE KERK EN HET MEDEDOGEN


Deze tekst werd uitgesproken in de dienst van 21 september 2008 van de www.npboosttwente.nl, in de Johanneskerk te Twekkelo, gem. Enschede.



Ik moet U iets bekennen.

Ik voel me de laatste tijd zeer aangetrokken tot de idee van de "Vloeibare Kerk". Ik denk dat die vorm van kerk-zijn in onze tijd past. Deze nieuwe tijd vraagt om een nieuwe soort kerk,


Lees verder .........


We lazen vooraf het verhaal over de ontmoeting van Jezus van Nazareth met de Samaritaanse vrouw, Johannes 4 : 4 - 30.


Ik zal U uitleggen waarom ik me aangesproken voel door het idee van "de vloeibare kerk".


De term vloeibare kerk is afkomstig van Pete Ward, een theoloog die werkt aan het Kings College in Londen. In 2003 publiceerde hij zijn boek met als titel "The Liquid Church", en het boek is ook vertaald in het nederlands, en dan heet het "Kerk als water, pleidooi voor een vloeibare manier van kerk-zijn".


Pete Ward, de schrijver zegt het heel scherp: de kerk in haar huidige vorm, met haar huidige doelstellingen, is een fossiel in de moderne wereld. Het is helemaal niet vreemd dat vele kerken krimpen.

Zo kwamen er ook in een IKON-programma op televisie onlangs ferme uitspraken langs: "de kerk ... is een zerk!" en ook werd aandacht gevraagd voor de statistieken die niet liegen en zeggen: "Nederland is koploper in het slopen van kerkgebouwen!"


Pete Ward gebruikt het beeld van een ijsblokje voor de kerk. Water dat vast is geworden. In het engels wordt daarvoor het woord solid gebruikt. IJs is koud, er is geen beweging in te krijgen, het is vooral vormvast.


Zo gebruikt Pete Ward voor de traditionele kerk, het instituut, de woorden "solid church". En ook al erkent hij dat de kerk, net als de synagoge, het verhaal bewaard heeft, het verhaal van de kracht die leidt tot rechtvaardigheid en barmhartigheid, tegenwoordig lijkt het in de vaste kerk vooral te gaan om het instituut dat moet worden behouden, het gaat om aantallen, om vaste lidmaatschappen, om vaste gewoonten en vaste regels. En Pete Ward stelt na die opsomming de heldere vraag: gaat het nog wel over het hart van de mens, over zijn ziel, over zijn ervaring in de tijd van nu, over zijn verlangen, over zijn dorst?


En dan zegt hij: we moeten, als mensen die vertrouwen willen behouden in het bestaan, die de boodschap van betrouwbaarheid niet willen loslaten, en dus als mensen die onszelf ook serieus willen nemen, gewoon vloeibaarder worden, we moeten niet willen stollen!


Ik heb gemerkt dat de vraag van Pete Ward internationaal nogal wat reacties heeft opgeleverd, en ook nogal wat internet-gemeenschappen. Op de website van een van die gemeenschappen las ik: "Yes, dat hebben we nodig, WATER voor een Dorstige wereld".


En er worden ook richtlijnen gegeven over hoe je dat dan kunt, vloeibaarder worden:


Er wordt gezegd, als je de inhoud van de boodschap van de kerk als vloeibare beweging serieus neemt, dan ga je leven:


  1. van regels naar liefde, en je begrijpt hoe we menselijke warmte nodig hebben!,


  1. dan pas je het inzicht toe dat andere mensen per definitie anders zijn. Je ontwikkelt daarvoor het respect dat nodig is,


  1. dan neem je een lerende houding aan in plaats van een alles wetende houding,


  1. dan ga je nadenken over je eigen beschikbaarheid, en over wat je nodig hebt om dat te kunnen blijven,


  1. je ontwikkelt meer moed om je eigen kwetsbaarheid te laten zien, je wordt dan meer en meer benaderbaar,


  1. je ontwikkelt een luisterende houding,


  1. en ook: je ziet in dat het zegenend in de wereld staan van grote waarde is, je ontwikkelt een vaardigheid om het goede woord te spreken, een positieve reactie op te brengen, en de ander niet direct af te branden.


In de kerk, die vloeibaar wordt, zal er meer warmte zijn, zal het dus altijd in de eerste plaats om de inhoud gaan, want mensen doen er toe, het is relevant om te communiceren over wat goed, waar en schoon is, wat zuiver is.


Karen Armstrong, de engelse geschiedkundige die in de wereld van vandaag, die zo vol is met confrontatie en geweld, een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan een beter begrip van de grote religies, kreeg op 24 mei 2008 in Middelburg de medaille uitgereikt voor vrijheid van godsdienst, in het kader van de vier vrijheden, die in 1941 zijn benoemd door de toenmalige amerikaanse president Roosevelt: en op basis waarvan prijzen worden uitgereikt voor mensen die zich inzetten voor vrijheid van meningsuiting, vrijheid van godsdienst, vrijwaring van angst en gebrek. Karen Armstrong heeft nog eens de beginselen van het jodendom, van het christendom en van de islam op een rijtje gezet en haar conclusie is dat weldenkende mensen toch moeten kunnen uitkomen bij de houding van het mededogen: doe een ander niet aan wat jij niet wilt dat jou wordt aangedaanga heen en leer dit! klinkt de Gouden Regel, die volgens Karen Armstrong in alle grote godsdiensten een ereplaats heeft. (Ze citeert Hallel, een rabbi uit de tijd van Jezus).


Of zoals Jezus het positief verwoordt in de Bergrede, waarin hij onderricht geeft aan zijn leerlingen, (Mt. 7 : 12)"Dus alles wat gij wilt dat de mensen voor U doen, doet ook gij zo voor hen, want dat is de wet en de profeten".


De Koran formuleert overigens diezelfde gouden regel als volgt: "Geen van u is een gelovige tot hij voor zijn broeder wenst wat hij voor zichzelf wenst."

Vloeibaar zijn, niet vastgeroest blijven zitten in je ideeen of in je eigen gelijk, maar jezelf de vraag stellen: blijkt er iets van compassie, van medeleven uit mijn houding? Met die houding geef je er blijk van bij de vloeibare kerk te horen. Maar dat alles is niet zo makkelijk.


(De vergelijkende godsdienstwetenschap heeft trouwens onderzocht hoe moeilijk dat vaak gaat bij geloofssystemen:


  1. er is altijd eerst het spirituele begin, het moment van de inspiratie, zeg maar,
  2. dan krijg je de zgn.formatieve periode, daarin begrijpen mensen dat ze helder moeten formuleren waartoe ze geinspireerd zijn geraakt, waar ze "voor gaan", en ook dat ze eenvoudige vormen moeten bedenken om hun geloof uit te drukken,
  3. daarna ontstaat er een neiging tot dogmatisme: het vastleggen in strakke regels waar mensen zich aan moeten houden.)


We stelden vast dat de gouden regel handelt over de compassie, de houding vol mededogen waartoe mensen in staat zijn.En die houding is universeel, van alle tijden, van oude tijden, want als je het verhaal over de ontmoeting van Jezus met de Samaritaanse vrouw doordenkt, dan komen al die elementen er al in voor: compassie, de ander zien staan, ook al is ze niet van je eigen volk (zo werd in Jezus' tijd immers naar de Samaritanen gekeken, als mensen die er zulke volstrekt andere ideeen op nahielden waar het ging om de uitleg van de schriften!).


In het verhaal van die ontmoeting met de Samaritaanse gebeurt er iets cruciaals:


Jezus van Nazareth is degeen die haar echt ziet, echt naar haar luistert, die haar doorziet, hij ziet haar eenzaamheid, zeg maar.

En dat is compassie: meevoelen met elkaar, elkaar durven bevragen, vertrouwen schenken zodat we onszelf durven openen, vloeibaar worden. Hij noemt zichzelf trouwens in dit verhaal "het levend water": een mens die dorstig is, verlangend naar aandacht, schiet ten diepste pas echt iets op met: gezien worden, gehoord worden, een betrouwbare aanwezigheid ervaren. Dat is de ware compassie, het mededogen waar we naar verlangen. Door de ontmoeting met echte compassie kan een mens zelfs zijn levensangst overwinnen.


Onze dorst wordt gelest door betrouwbare betrokkenheid, die we ontvangen en die we ook kunnen geven. De ervaring met die betrouwbare levende betrokkenheid kan, zoals in het verhaal over de ontmoeting van de samaritaanse met Jezus van Nazareth, dus een bron worden, over dit soort levend water handelen al die bijbelse verhalen waarin sprake is van putten en bronnen. Bij de bron kan de put, waarin mensen kunnen verkeren, (wat is de put toch een sprekend symbool voor de diepe wanhoop!) tot bron worden, omgevormd worden tot perspectief op een vernieuwd bestaan.


Oefenen in compassie vraagt overigens om het bewust en goed gebruik van onze zintuigen: ogen, oren, handen, hart. Het gaat om goed ZIEN, goed HOREN, goed HANDELEN, goed VOELEN.


Als we kijken naar de essentie van de rijke boodschap die religieuze systemen aan ons hebben nagelaten, dan kunnen we niet anders dan zelf vloeibaar worden, we kunnen mensen worden die zien en horen, en voelen, en van wie het hart spreekt. Het zijn zijn vloeibare, flexibele mensen, ook al hebben we ook een tastbare plek nodig om elkaar te ontmoeten. Maar het materiele van de kerk is en blijft ondergeschikt aan de inhoud die gaat over compassie, over mededogen!


Mensen van de vloeibare kerk vinden hun inspiratie zeker ook in moderne literatuur, of in film en poezie. Zo vond ik in het verhaal dat de franse schrijver Paul Claudel heeft gepubliceerd onder de titel "Zonder Mij" een goede illustratie van hoe moeizaam, maar hoe levensecht een mens tot compassie komt. (de schrijver Paul Claudel heeft trouwens kortgeleden ook als regisseur een film gemaakt, waarin ook compassie wordt uitgedrukt: het is het verhaal van twee zusters onder de titel "Il y a longtemps que je t'aime", (het is de titel van een frans kinderliedje, vertaald: "Ik houd al zo lang van je", op dit moment te zien in de bioscoop. Zeer aan te bevelen!).


De hoofdpersoon van de roman is een psycholoog, die gebukt gaat onder een zware depressie. Hij heeft enkele dagen na de geboorte van zijn dochtertje, dat nu 21 maanden is, zijn vrouw verloren. Dat verlies van zijn echtgenote maakt zijn dagen zwart, ondraaglijk. Het kind wordt achtergelaten bij een oppas die het best vindt dat ze op deze manier wat kan bijverdienen, maar niet echt veel voelt voor het kind. Daar komt bij dat de man een beroep heeft waar je ook al niet vrolijker van wordt. Een collega en hij praten samen met mensen die net een familielid hebben verloren en die ze moeten vragen om donor-organen. Al deze omstandigheden maken dat hij in een diepe crisis terechtkomt. Hij is een typisch voorbeeld van een mens die lijdt onder een soort bestaans-walging. Hij heeft er genoeg van, van het leven. Hij zegt eigenlijk, tegen zijn collega's, maar ook in feite tegen zijn kind: gaan jullie allemaal maar verder Zonder Mij. Dat is dus de titel van het verhaal. (De franse titel is mogelijk nog sterker: J'abandonne = ik laat alles in de steek).

Op zekere dag meldt zich een vrouw in hun kantoor. Haar 17-jarige dochter is verongelukt in het verkeer. Hij en zijn collega moeten dus om de organen van het meisje vragen. In de ogen van de vrouw die huilt om het verlies van dat meisje van 17 jaar ziet hij tenslotte de ogen van zijn eigen dochter. Heel langzaam beseft hij dat hij een belangrijke reden om te leven heeft: zijn kind van 21 maanden. En hij voelt het mededogen in zichzelf als het ware geboren worden, de put waarin hij zat verandert heel langzaam in de bron, het perspectief van waaruit hij zijn leven toch weer oppakt. Hij zal ander werk zoeken. Het is een verhaal van een mens die ziende wordt, die met compassie, met mededogen de draad oppakt.


Eigentijdse mensen, van de "vloeibare kerk", hebben iets opgestoken van dat wonderlijke vermogen tot compassie, tot mededogen, net als de samaritaanse vrouw bij de put die Jezus ontmoet, net als de hoofdpersoon uit de roman van Paul Claudel, de psycholoog die het verdriet begrijpt van de getroffen moeder en die daardoor zijn eigen kansen ziet. Zo wordt door de tranen van het bestaan heen in de intermenselijke relatie het water tot levend water. Een mens gaat zorgen voor een ander mens.

Amen.


Jeanne Traas-Hageman


Terug