OVERDENKING PASEN 2011

TWEKKELO - NPB Oost-Twente

 

Lieve vrienden,

Het thema Pasen is een intrigerend thema. Het is een prachtig, een overweldigend thema zelfs, en het stelt ons altijd weer voor vragen. Dat komt waarschijnlijk doordat in onze cultuur het onbegrijpelijke verhaal van de lichamelijke opstanding van Jezus van Nazareth, uit de beklemming van het graf, altijd zo centraal is blijven staan. We hebben dat verhaal in onze dienst van vanmorgen weer een plek gegeven toen we het gedeelte lazen van Johannes de evangelieschrijver. (hoofdstuk 20 : 1 – 9). Maar er zijn zeker ook andere voorbeelden te vinden die uitleggen wat Pasen zou kunnen betekenen.

We beginnen allereerst maar eens met het woord Pasen. Pasen betekent overgang naar een andere manier van bestaan. Dat begrijpen we het best als we het woord Pasen zetten naast het woord passeren, passage, en in het engels: Pass-over. We hebben het over het doormaken van een verandering, zeg maar, als we het over pasen hebben.

De traditie van de joodse cultuur viert haar Paasfeest met een maaltijd, de Pesach-maaltijd. Tijdens die maaltijd, de seder, hetgeen volgorde betekent, wordt hun duiding van pasen gegeven. Het joodse Paasfeest begon overigens afgelopen maandag al, op 18 april met een sedermaaltijd. Zij zeggen: ons Pasen gaat niet zomaar over passeren, nee, veel preciezer, het gaat in de eerste plaats over de uittocht , de exodus, vanuit een zeer dwingende beklemming, in de richting van een vrij leven, en ze vertellen aan hun kinderen, die daar naar vragen, het hele verhaal weer, ieder jaar weer, over hoe dat was, dat beklemmende bestaan destijds in Egypte, alsof het vandaag is. Ze braken daar tenslotte uit, om eerst, 40 jaar lang, in de woestijn terecht te komen en daar te leren, met zeer veel vallen en ook weer opstaan, over die dingen die het samenleven van mensen de moeite waard maken, ondanks alles. En zo wordt dat joodse verhaal ook voor ons te begrijpen, het is een universeel verhaal. Immers: echt voelen dat we levend kunnen zijn, in vrijheid, daar verlangen wij mensen naar!

Ik ben erg blij dat ik zeggen kan dat deze overdenking van vanmorgen in feite het resultaat is van vele gesprekken die er binnen onze gemeenschap in de afgelopen periode gevoerd zijn over dit thema: uittocht vanuit de beklemming. Want in de beklemming zitten is ook een soort van dood zijn. In kringen dus, en zelfs op verjaardagsvisite hadden we het erover, in intieme en betrouwbare sfeer.

Zo keken we bijvoorbeeld met een groep naar de film As it is in Heaven, waarin het lied van Gabriella voorkwam en dat U zojuist heeft gehoord. De tekst kunt U hier lezen:

“Gabriella's song” ( uit de film “As it is in heaven”):

Heel mijn leven is nu van mij, voor de tijd die mij rest,
mijn verlangen vertelde mij over alles wat ik gemist heb, en wat ik ontving.............

Ook al kreeg ik waar ik voor koos, het vertrouwen dat ik bewaarde,
heeft me eindelijk iets getoond
van een hemel die ik nooit kreeg.
Ik wil voelen, ik wil leven, vanaf nu voortaan
leven naar mijn eigen plan,
ik wil voelen, ik wil leven, wetend dat ik goed genoeg was.

Ik ben nooit kwijt geraakt wie ik echt was
ook al sluimerde mijn wil
misschien had ik geen andere keus,
slechts de wil om maar door te gaan.

Ik wil gelukkig leven, zijn zoals ik ben,
ik wil vrij zijn en vol kracht,
in de morgen na de nacht,
ik sta hier, heel mijn leven is van mij,
en de hemel waarvan ik overtuigd was
komt vanzelf in mijn leven aan.

Ik wil voelen dat ik heb geleefd.

Waarom illustreert dat lied van Gabriella nu het thema van Pasen? Dat komt doordat zij een verandering doormaakt, in het dorp in Zweden waar zij woont, waar zij getrouwd is met een man die gewelddadig is. Die man zit gevangen in het idee dat hij haar door zijn autoritaire en gewelddadige optreden aan zich kan binden. Maar Gabriella leert, net als de andere dorpsgenoten, Daniel kennen. Daniel was eens een succesvol dirigent van een symfonieorkest, maar hij wordt gedwongen door een hartkwaal om zijn glamourleven in de schijnwerpers op te geven. Hij krijgt letterlijk te maken met een lichamelijke beklemming. Terug in zijn geboortedorp probeert hij een overgang te maken van het ene leven naar het andere, en hij gaat tenslotte zingen met de dorpsbewoners, en hij vindt een nieuwe bestemming voor zijn leven. Door die ontmoeting met Daniel die een nieuw begin maakt, die haar leert dat je kennelijk moet durven opstaan uit de beklemming, staat Gabriella ook op, ze laat haar man en zijn gewelddadigheid los en begint opnieuw, van voren af aan. Het is een mooi voorbeeld van wat opstanding is, en het ontroerde ons zeer! Gabriella zit niet langer gevangen. Zij was dood, maar werd weer levend.

In een van onze kringen zijn we ons ook gaan bezig houden met de woorden van het Thomas-evangelie. We herinneren ons dat we ons pas sinds 1945 kunnen bezighouden met die woorden, 114 uitspraken van Jezus van Nazareth, omdat in dat jaar 1945 een kameeldrijver in Nag Hammadi in Egypte een paar aarden kruiken vond die geschriften bevatten met teksten die gaan over gnosis. Gnosis is de kennis van het hart. Ons eigen menselijke hart. Het is de verborgen kennis die mensen met zich meedragen om geestelijke volwassen te kunnen worden. Die teksten die gaan over gnosis werden in de tijd dat het christelijk instituut gevormd werd, in de 3e en 4e eeuw, niet geaccepteerd door de leiders van dat instituut. Die konden de ideeen die mensen zelfstandig leerden denken over hun eigen innerlijk leven niet zo gebruiken. Zij wilden van bovenaf regeren. Monniken, die begrepen dat de inhoud van die gnosis-literatuur goud waard was, hebben de teksten voor ons dus bewaard door ze in die aarden kruiken te stoppen.

De allereerste woorden uit dat evangelie, opgeschreven door Thomas, (die eigenlijke Didymus Judas Thomas heette, Didymus betekent overigens tweelingziel = geestverwant van Jezus), die allereerste woorden luiden:

En hij (Jezus) zei:

Ieder die de betekenis van deze woorden vindt, zal de dood niet smaken!

De conclusie is: ieder die de betekenis van deze woorden vindt, zal dus lévend zijn.

Via de woorden van het Thomas-evangelie zullen we mogelijk de krachtige boodschap van Pasen nog iets beter leren begrijpen. We moeten beseffen dat Thomas, met zijn kennis van het hart, zoals die door Jezus in de wereld gebracht is, en die door hem werd voorgeleefd, het heeft over twee manieren van het menselijk zijn, het menselijk bestaan.

Allereerst is er de erkenning dat de geschiedenis van ons leven vaak meer lijkt op óverleven, het is vaak een gevecht om gezond te zijn, geen honger en dorst te hebben, geen pijn, een huis, werk, een beetje plezier, maar het is vooral ons ego dat we centraal stellen, als ík maar terecht kom, als ík maar gelijk krijg, als ík maar dit, als ík maar dat, en dat houden we vol, ook als dat ten koste gaat van anderen. Dat is dus het leven dat zich ten koste van alles wil handhaven. (Ook al hebben we, dat mag ook gezegd worden, dat ego natuurlijk vaak ook zeer nodig om gewoon te kunnen bestaan).
Thomas spreekt ook over een andere manier van leven, en hij bedoelt: die ándere wijze van leven wordt gevoed door het geloof dat wij mensen in ons een vonk van god in ons meedragen. De tekst van de profeet Mani die we lazen gaat daar ook over, en in die prachtige woorden van Jezus uit het Thomas-evangelie lezen we hetzelfde.

Lezing van een tekst van Mani (Ktesifoon, tussen de Eufraat en de Tigris, 216-274), schilder, geneesheer en profeet:

“Het gaat erom in elk geloof, in elk idee de elementen van Licht te
vinden en het afval terzijde te schuiven. Dezelfde goddelijke vonk
is in ons allemaal aanwezig, ongeacht ras, ongeacht kaste. Die vonk
is niet mannelijk of vrouwelijk, maar wordt door elkeen gevoed met
schoonheid en kennis. Op die manier lukt het de vonk om weer te
schitteren. Alleen door het Licht dat in hem of haar aanwezig is,
kan een mens groot zijn”.

Als we dat besef tot ons laten doordringen, van die goddelijke vonk, dan hebben we het over het mooiste wat er in ons is, namelijk een diep basisvertrouwen, dat het ondanks alles goed is dat we bestaan, dat we er zijn, dat we mee kunnen doen om er iets goeds van te maken. De franse schrijfster Marguerite Yourcenar zei overigens wel het volgende: “God is een teer vlammetje, en als we niet oppassen, gaat het uit!”
In de verhalen uit het evangelie die over Jezus gaan leren we dat hij, vooral als de kritiek op hem sterk is, hij zich in de stilte terugtrekt en met zijn vader spreekt. Hij probeert de goddelijke vonk die hij in zich draagt en die een stuk basisvertrouwen is, altijd weer op te sporen om vandaaruit weer in de wereld te gaan staan waarin het conflict alom aanwezig is en waar het verleidelijk is om de anderen er van langs te geven.
Wat we dus vooral nodig hebben, en dat is net een andere manier van kijken naar het bestaan, is het vertrouwen, het geloof, dat wij beminden zijn. En dát geloof maakt ons tot lévende mensen.

Misschien kent U de regels nog van het volgende gedichtje van Hieronymus van Alphen uit de 18e eeuw:

Het kinderlijk geluk

Ik ben een kind, van God bemind
en tot geluk geschapen.
Zijn liefde is groot;
'k Heb speelgoed, kleedren, melk en brood,
een wieg om in te slapen.
Ik leef gerust;
Ik leer met lust;
Ik weet nog van geen zorgen.
Van 't speelen moe
sluit ik mijn oogjes 's avonds toe,
en slaap tot aan de morgen.
Geloofd zij God
voor 't ruim genot
van zo veel gunstbewijzen!
Mijn hart en mond
zal hem, in elken morgenstond
en elke avond prijzen.

Willem Wilmink schreef hierover: 'De eerste drie regels van dit gedicht behoren tot het allerbeste van wat de Nederlandse beschaving heeft opgeleverd. Uit kinderen die in dit besef zijn opgegroeid, kunnen geen nazi's of racisten groeien.'

Dat onbezorgde vertrouwen van een kind is hetzelfde onbezorgde Godsvertrouwen dat in de verhalen over Jezus altijd weer terugkeert. Voor hem is het die modus van het bemind zijn, er mogen zijn, de allereerste houding vanwaaruit hij alles, alles ondergaat! Zelfs tot in Gethsemané toe. Als hij roept: “Mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten, dan herkennen we in die eenzaamheid wel onze eigen eenzaamheid van de vertwijfeling wanneer alles tegenzit, en we terechtkomen in de beklemming van de angst. We lijken dan die basic trust kwijt te raken.

Maar misschien is het juist zo, dat alleen diegenen die dagen doorleefd hebben waarin woorden nutteloos waren, waarin de prachtigste theorieen pijn deden aan het oor als geklets, dat alleen zij die de totale sprakeloosheid hebben ervaren, alleen zij die het gezelschap van het altijd maar opspelende ego en zijn gevolg van onnozele ideeën losgelaten hebben, alleen zij die opgehouden zijn met het uitbuiten van alle dingen, zij zijn het waarschijnlijk die de kreet van de wereld zijn gaan horen, die het zuchten van de mensheid horen, de mensen die die eenzaamheid hebben doorgemaakt zullen het basisvertrouwen hervinden en vanuit de beklemming opstaan!

Maar kennelijk moeten we eerst, zoals ook de geschiedenis van het lijden van Jezus vertelt, eerst in de diepe duisternis turen, ons gewurgd en begraven voelen in de hopeloosheid van het leven, voordat we klaar zijn om die vonk, die tegenwoordigheid van zijn levende Licht te ervaren, en op te staan!

Ik las afgelopen weken een meeslepend verhaal, met als titel XY, geschreven door een italiaanse schrijver, Sandro Veronesi, die een dorp hoog in de Italiaanse Dolomieten beschrijft, waar een oude priester trouw blijft werken voor een vergrijzende en leeglopende groep dorpsbewoners. Zijn kerk is gewijd aan de Heilige Judas Thaddeus, de heilige voor hopeloze gevallen. (Overigens, Judas Thaddeus hoorde tot de familie van Jezus, en door z'n bijnaam Thaddeus wordt hij onderscheiden van Judas Iskariot, die Jezus verraden heeft). De hopeloosheid van de bewoners wordt nog hopelozer als er in het bos elf dode mensen gevonden worden. De paniek en ontzetting is zo groot, justitie start een onderzoek, maar de priester staat voor de taak om de dodelijk verschrikte dorpsbewoners op te vangen en te steunen. Hij komt er niet doorheen, ook hij is wanhopig, en hij roept de hulp in van een vrouwelijke psychiater uit een stad dichtbij. En zo gaan een man X, de priester en de vrouw Y, de psychiater samenwerken om de doodgewone mensen uit het dorp op te vangen , bij te staan , om het uit te houden bij deze verschrikkelijke ervaring, en een uitweg te vinden. Ze slagen daarin maar ten dele, en kiezen er tenslotte voor om, door vast te houden aan hun eigen goddelijke vonk, heel dicht bij zichzelf te komen waardoor ze tenslotte wezenlijk pas echt iets kunnen gaan betekenen voor anderen. Ook zij moeten eerst zélf opstaan.

Veronesi heeft deze roman vast geschreven, zo denk ik er over, als beeld van wat er in onze eigen werkelijkheid van deze tijd aan de hand is. Het is een soort gelijkenis, zijn verhaal over die dorpsgemeenschap. De hopeloosheid die wordt beschreven is vergelijkbaar met de hopeloosheid die wij voelen door al het geweld in onze huidige wereld. Ik weet niet hoe het U vergaat tegenwoordig, maar in ieder geval stroomt het nieuws op de TV naar binnen. Dagelijks beleven wij het van nabij: verderf, lijden, sterven. Onze kleinkinderen zeggen al: alsjeblieft, doe het nieuws niet meer aan, wat verschrikkelijk allemaal: de ramp in Japan, een schutter in Alphen aan de Rijn, een aanslag in Minsk, en uiteraard de begrijpelijke vrijheidsstrijd in Noord Afrika, in Ivoorkust, Nigeria, Lybie, Syrie.

Je denkt: na het steeds maar weer kijken naar de nieuwsbeelden op de TV, maar ook na het lezen van het boek XY: iedereen heeft hulp nodig! Geestelijke hulp! Daarom vond ik het plaatje van Lucy uit Peanuts, uit die strips van Charles Schultz, met Charlie Brown en Snoopie, zo ontroerend.



Lucy lijdt ook aan wat er aan lijden in de wereld is, en ze begrijpt het, dat er zoveel niet uit te leggen valt over dat vaak onschuldige lijden. Ze doet er wat aan, en zet een bureau voor de school met een bord waarop staat: psychiatrische hulp. De dokter is aanwezig, zet ze erbij, waarmee ze zeggen wil: ik ben beschikbaar. Het plaatje dat volgt op het plaatje dat op de orde van dienst staat illustreert dat dan ook: er staat een hele lange rij kinderen voor, om geestelijke hulp. Ze zijn terneergedrukt.

Hoe staan wij op, als we ons door al dat onnoemelijke lijden terneergedrukt en hopeloos voelen?

Wellicht zijn de woorden uit het Thomas-evangelie helpend: als je je richt op die innerlijke vonk, die je in je draagt, die goddelijke vonk van het diepste basisvertrouwen, dat jij, als mens op deze aarde, er mag zijn, en dat je een beminde bent, waarmee je heel wonderlijk op eigen benen komt te staan, en vrij wordt van de mensen en hun ego, waarmee je angst kunt overwinnen, dat je jezelf mag worden, zoals je kunt worden, en moed verzamelen kunt om ook de diepste eenzaamheid in te kijken, dan ben je authentiek, en dan zul je de dood niet smaken. Dan zul je eens opstaan uit de beklemming. Dan zul je levend zijn, en er voor anderen zijn. Misschien is dat wel de kern van de boodschap van de opstanding van Jezus van Nazareth uit de beklemming uit het graf. Dat we lévende mensen zullen zijn.

“Lijd, en wees groot, want dat is je bestemming”, de uitspraak van de italiaanse schrijver Manzoni, (18e eeuw, uit de periode van de Verlichting) het motto van deze overdenking, intrigeerde me. Want dat het leven lijden is, en vol conflict, dat willen we niet aanvaarden, maar het is vaak toch wel zo.

Lijden, conflicten doorstaan, dat hoort bij het leven en het zou wel eens een verandering in onze houding kunnen betekenen als we dat inzicht, meer dan nu, zouden aandurven: aanvaarden dat het leven juist leefbaarder worden zal als we gaan inzien dat conflicten er bij horen. Er niet bang voor zijn, maar moedig de verschillen in belangen benoemen en een vorm van samenleven ontwikkelen, waarbij ieder aan het woord komt. Conflicten kunnen ons terneerdrukken en ons klein doen voelen, maar het is de bedoeling dat we er aan groeien.

Zo las ik in de krant deze week het verhaal van een jonge man, hij is nu fotomodel bij het modehuis Giorgio Armani. Hij werd als kind ontzettend gepest. Hij werkte mee aan een boek over gepest worden. Hij zegt: langdurig gepest worden is zeer vernederend, het leidt tot een afbraak van je goede gevoel over je zelf. Het feit dat hij meewerkte aan het boek is ook een vorm van opstaan uit beklemming.

Maar de grondvoorwaarde die we nodig hebben om dat te kunnen is dus die verbinding te blijven leggen met die goddelijke vonk, dat basisvertrouwen binnen in ons, dat we beminden zijn!, en daar moeten we elkaar ook in steunen; die vonk stelt ons in staat, juist omdat we het vaak met elkaar moeten uithouden, om tenslotte groot, zelfs grootmoedig te kunnen zijn. De apostel Paulus heeft eens in een brief een advies geschreven aan de jonge gemeente van Philippi in Griekenland (Phil. 4 : 5) over hun levenshouding: “laat Uw vriendelijkheid aan allen bekend zijn”. Ik ging eens na hoe dat woord vriendelijkheid in de andere talen vertaald is. En ik leerde dat in het Frans staat: uw douceur, uw zachtheid, en in het engels staat: laat uw magnimity, uw grootmoedigheid aan allen bekend zijn. En daar ligt de link met het motto van deze overdenking:

Lijd, en wees groot, want dat is je bestemming, mens! Groot worden is ook geestelijk volwassen worden! Je toekomst zal zijn dat je opstaat uit je lijden en je beklemming, en dat je grootmoedig zult zijn naar de anderen! En het lied dat we daarstraks zongen zei het zo:

Sta op! – Hij gaat al voor ons uit,
de schoot van 't graf ontkomen.
De morgen is vol nieuw geluid, –
werp af uw boze dromen.
Waar Hij, ons Hoofd, is voorgegaan,
is voor het lichaam nu vrij baan
naar een bestaan volkomen. (LvdK 210 vers 4)

Moge het zo zijn.

Amen




Jeanne Traas-Hageman,
voorganger Vrijzinnige Geloofsgemeenschap NPB
afdeling Oost – Twente,


jeannetraas@versatel.nl

 

TERUG