Aan het begin van de overdenking luisterden we naar het slotlied van een muzikaal project van het Nederlands Blazersensemble en Accordone, italiaanse kunstenaars, over het verhaal van Odysseus: “Una Odissea”:
Intro: “Il Passerotto”........
Laatst heb ik lange tijd gekeken naar een vogel
op de takken van de olijven en de amandelbomen.
Hij trippelde en kwetterde en sprong van tak naar tak
en zijn gefluit klonk als een lieflijk lied.
De aarde en de wind genoten en mijn ogen ook.
Ik was bijna afgunstig op zijn manier van leven.
Wat mooi, wat heerlijk is de liefde voor het leven!
Hij daalde naar de grond, liep naar een plasje water
en boog zich er naar toe, aandachtig bij alles wat hij deed.
Hij hopte drinkend heen en weer.
Voor hem was dat een waterput, een diepe put vol water,
die holte in een grote platte steen.
Wat mooi, wat heerlijk is de liefde voor het leven!
De vogel had een grasspriet in zijn snavel en haalde die er met zijn pootje uit.
Toen vloog hij weg, en in de lucht genoot hij van de liefkozingen
van zijn Moeder Natuur....
Geniet, mijn liefste, van het warme zonlicht.
We hoorden de gezongen woorden van de man Odysseus, die na zijn omzwervingen is teruggekeerd op Ithaca, waarvan hij koning is.
Hij ziet dan een musje dat rondhupt op zoek naar voedsel en drinkt uit de holte van een steen. Het musje weet niks van de koning van Ithaca, en van zijn lange reis vol tegenslag, pijn en al helemaal niks van al het bloed dat vergoten is. Odysseus zelf weet het maar al te goed, maar toch ziet hij dat kleine vogeltje, en zijn laatste woorden, na zijn bewogen reis, zijn toch: “Maar hoe mooi, hoe heerlijk is de liefde voor het leven!”, en wat prachtig is het dat we dat leven kunnen en mogen genieten. Ondanks alles!
De reis van Odysseus, ooit beschreven door Homerus, is een van de grote reisverhalen uit de wereldliteratuur. We ontlenen ook aan dit verhaal het beeld dat ons leven te vergelijken is met het maken van een reis, en we zien in dat we daartoe regelmatig worden uitgedaagd, om écht te leven, in beweging te blijven en niet vast te roesten. En als je, zoals Odysseus, aan het eind van je reis niet teleurgesteld bent gebleven, of ontevreden, of pessimistisch, vol wrok of vol ongenoegen, dan heb je echt wat geleerd, de reis heeft je veranderd, en dat blijkt alweer uit het feit dat je kunt zeggen: “hoe mooi, wat heerlijk is de liefde voor het leven!” Wat ben je dan toch een gelukkig mens!
Het is goed om erop te wijzen dat Odysseus dit alles zegt aan het eind van zijn levensreis, als hij alle hoogte- en dieptepunten heeft meegemaakt.
Misschien is het eigenlijk ook wel zo dat je eerst door de diepe ervaring van de moeiten van het bestaan heen moet en dan pas écht gevoelig wordt voor het belang van het genieten van het leven, en zelfs word je ook dan pas écht gevoelig voor de oproep die door de schrijver van de Jacobusbrief wordt gedaan: mensen, je moet vooral doén, geen napraters zijn, maar navolgers van het voorbeeld, dat je gerechtigheid moet betrachten, dat je met je medemens het bestaan moet willen mée-uithouden, dat je tot compassie moet kunnen komen. Korter gezegd, door de ervaring van het leven zelf, en met name door de diepten van het leven zelf heen komen mensen waarschijnlijk pas écht tot het inzicht dat je iets kunt bijdragen aan het genieten en laten mée-genieten van het bestaan. Ja, eerst dóor de diepten heen............
In de twintigste eeuw heeft de amerikaanse theoloog Paul Tillich ons iets geleerd over de beleving van de diepte-dimensie in ons leven.
We weten allemaal wel iets van de hoogte-beeldspraak en inmiddels zijn we dat gaan opvatten als ouderwets. De hoogte-beeldspraak gaat over: boven de wolken en de sterren ligt de troon van God. Die beeldspraak deed het heel goed in het kader van het oude wereldbeeld van vóor Copernicus. Een wereldbeeld van een heelal met drie verdiepingen. Dat oude wereldbeeld en die oude beeldspraak zijn ons allang ontvallen. Achter de sterren liggen immers nieuwe sterrenstelsels, nieuwe heelallen, eindeloos. Tillich heeft die hoogtebeeldspraak vervangen door een dieptebeeldspraak.
En dit begrip doelt op de mysterieuze grond van ons menselijk bestaan, ja van alle bestaan. Als wij proberen willen om te begrijpen wat er toch in die eerste Jezusbeweging gaande was, en we blijven eenzijdig het accent leggen op het doén, het handelen in het hier-en-nu, op onze horizontalistische activiteit alleen, dan gaan we toch aan iets wezenlijks voorbij. We gaan dan voorbij aan de innerlijke ontvankelijkheid, aan de inkeer tot onszelf, aan de verinnerlijking. Aan het – om het anders te zeggen – het zoeken en ervaren van Gods verborgen omgang, aan concentratie op het wezenlijke, aan het de stilte ingaan en wachten op het antwoord, aan het verlangen naar verheldering over ons bestaan, aan het leiden van onze gedachten naar het mysterie dat wij god noemen.
We leren dan ook stil te staan bij het gegeven dat Jezus, voor hij zijn werk onder de mensen begon, vóor hij ging doen, hij de woestijn inging, de eenzame wildernis met haar overweldigende stilte, de aangewezen plaats om God, of hoe men het mysterie ook noemen wil – te ontmoeten. Die inkeer ging vooraf aan het verrichten van zijn taak. Hij had die inkeer nodig, zo vertelt het verhaal ons.
En als Jezus uit de woestijn terugkomt in de bewoonde wereld, dan komt hij met een boodschap, dat hij ontdekt heeft dat de grond van zijn bestaan voelt als de zorgende vaderlijke liefde is die hem omgeeft. Er is door hem een mystieke verbondenheid ontdekt, tussen die zorgende vaderlijke liefde die hem omgeeft én de liefdevolle zorg van hemzelf voor de mensen, en die verbondenheid is het grondbeginsel van zijn handelen, van zijn doen en laten, van zijn ethiek.
In een ander bericht dan de Jacobusbrief, het Johannesevangelie, wordt vaak gesproken over die diepte-dimensie in het bestaan van Jezus, over dat proces van verinnerlijking. Eérst moet je beseffen dat je zelf omarmd wordt door een zorgende liefde, dat je er mag zijn, om toe te kunnen komen aan het omarmen van je bestaan en het omarmen van die ander, die net als jij verlangt naar die liefdevolle zorg.
“Zoek eerst het Koninkrijk, en al het andere zal je worden geschonken”, luidt het woord. Dat koninkrijk vind je als je de stilte durft ingaan, en durft luisteren in aandacht, het koninkrijk is bovendien niet uitsluitend iets van toekomst, het begint nu al in de harten van de mensen die dat willen beseffen.
Zo komen we tot het inzicht dat Mystiek – de weg naar binnen – en Ethiek, de weg van het (juiste) handelen, gewoon bij elkaar horen. Het is als in- en uitademen. Ze zijn, zoals de bekende duitse theologe Dorothée Sölle het ooit zei: heenreis én terugreis. Twee kanten van éen medaille. De heenreis: de reis naar het innerlijk, Mystiek: verinnerlijking, met als gevolg daarvan de verheldering, ontlediging, overgave aan het leven, verwondering, aanbidding.
En na de heenreis moet er de terugreis zijn. De Ethiek. Jacobus legt vooral de nadruk op de terugreis, op de ethiek, op het doen, het handelen, terug naar de wereld. Maar, begrijpen we nu, niet zonder weet te hebben van de heenreis.
Op 29 september keken we in het Kulturhus, naast de Johanneskerk in Twekkelo met een flinke groep naar de prachtige film “Shadowlands”. De film werd gemaakt in de jaren '90. Ook daarin maakten we iets mee van heenreis en terugreis. Het is het verhaal van de vooral in de jaren '50 van de vorige eeuw bekende C.S.Lewis, die hoogleraar Engelse taal en letterkunde was in Oxford. Hij dacht veel na over en schreef ook veel over de betekenis van christen-zijn, en dat was opmerkelijk want hij was onkerkelijk opgegroeid. Op latere leeftijd trouwde hij, die zijn leven lang vrijgezel was geweest en met zijn broer samen een huis bewoonde, met een Amerikaanse dichteres, Joy Gresham; zij was gescheiden en had een zoontje. Het huwelijk was aanvankelijk een verstandshuwelijk, voor de wet, omdat zij graag in Engeland wilde wonen en geen geld had. Belangrijk in het verhaal is dat hij zelf negen jaar oud was toen hij zijn moeder verloor.
Joy, de echtgenote, wordt ernstig ziek en zal jong sterven. In die moeilijke periode zagen we hoe hij de heenreis aanvaardt, de stilte zoekt, hoe hij tobt, strijdt, en hoe hij in gebed gaat, omdat hij hulpeloos is, hij zegt , hij, die altijd zeer kritisch was tegenover alles wat met het christelijk geloof te maken heeft, tegen zijn soms sceptische collega's: ik bid omdat ik het nódig heb, god verandert niet, ik verander! We beleefden hoe zijn afstandelijkheid verandert in een warme aandachtigheid, hij zegt ergens: als je van elkaar houdt, dan moet je dat ook aan elkaar zéggen, er niet mee wachten!, en hij en zij laten tenslotte uit liefde hun huwelijk inzegenen in de ziekenhuiskamer, en als het zo ver komt dat zij sterft, dan aanvaardt hij de terugreis, en neemt de zorg op zich voor haar kind. Hij beseft, eens als jong kind zonder moeder, hoe de liefde hem zelf heeft veranderd in een liefdevol zorgend mens.
De autobiografie van C.S. Lewis heet: Surprised by Joy, Verrast door vreugde. In zijn leven werd de vreugde gebracht door zijn vrouw die Joy heette, maar ook ervoer hij vreugde door de moed op te brengen de heenreis aan te gaan, én de terugreis. Hij zou, mét Odysseus, hebben kunnen zeggen: “Achteraf, na alles wat ik beleefd heb, is er de vreugde, de liefde voor het leven!”.
Waar ik in deze dienst aandacht voor wilde vragen was voor het late moment in de geschiedenis van mensen, in hun levensreis, waarop de terugreis aanvaard wordt.
Lang, heel lang, zitten we in die o zo noodzakelijke heenreis, zijn we bezig met onze eigen vragen waartoe we hier op aarde bestaan. Wanneer we in de diepte zijn gekomen, hebben we misschien eens in de stilte daarvan de vraag aan ons kunnen horen: wie ben jij dan?, kom op, neem datgene wat je gekregen hebt om mee te leven en te werken op je, neem je talenten in gebruik, en word een wijs mens, weifel niet, het is goed dat jij er bent!
Om al die redenen die we noemden is het erg belangrijk dat we erg veel geduld met elkaar hebben!
We luisteren nog even naar de tekst uit de brief van Jacobus, zoals aangegeven in de orde van dienst..........
Amen.
Jeanne Traas-Hageman, voorganger www.npboosttwente.nl