OVERDENKING JANUARI 2010
JOHANNESKERK TWEKKELO
DE MENS ALS HIJGEND HERT
We lazen: Psalm 42 uit de Naardense bijbel van Pieter Oussoren
Inspiratie: "De oude slaaf en de bloedhond" van Patrick Chamoiseau
Lieve vrienden,
Een van de kenmerken die we naar voren willen brengen in het werk voor de Vrijzinnige Geloofsgemeenschap NPB is dat we ondersteunend willen zijn in onze gemeenschappelijke zoektocht naar het vertrouwen in het bestaan. Dat doen wij onder andere door materiaal te zoeken dat een universele waarde heeft. Spiritueel materiaal moet ons mensen helpen om niet het spoor bijster te raken in dit bestaan, integendeel, het moet ons juist helpen om de moed er in te houden, en het vertrouwen niet te verliezen. Misschien is het wel dát verlangen van ons allen waardoor we verbonden zijn, religieus zijn, zeg maar.
Het is overigens zinvol om nog even stil te staan bij de verschillende betekenissen van het woord religie: het betekent verbonden-zijn, en dat stamt van het latijnse werkwoord re-ligere,
maar onze bezinning op die verbondenheid verwijst weer naar het werkwoordre-legere, en dat betekent her-overwegen.
Twee betekenissen dus die allebei van belang zijn, en die in de praktijk van een geloofsgemeenschap benut worden.
Wat we ook belangrijk vinden is de wederkerigheid als het gaat om het vinden van inspirerend materiaal. We ontvangen van alles en geven dat aan elkaar door: we herkennen onszelf bijvoorbeeld in de keltisch-christelijke liederen van Iona, dat onweerstaanbare pelgrims-eiland ten westen van Schotland, we lezen de psalmen uit het Oude Testament, omdat ze over onszelf gaan, kortom, we maken gebruik van de database, dat grote reservoir van universele inspiratie om met een steeds nieuwe kijk, een nieuwe verwoording ook, gevoed te kunnen worden.
Ik was dan ook heel blij met een nieuwjaarskaartje dat ik ontving van een trouwe bezoeker van onze diensten. Op dat kaartje stonden een paar regels uit een wijsheidsboek uit India, de Brihaharanyaka Upanishad, vierde boek, regels 4 en 5, en die regels staan vermeld in Uw orde van dienst:
"Je bent wat je diepe bezielende wens is,
zoals je wens is, zal je wil zijn,
zoals je wil is, zullen je daden zijn,
zoals je daden zijn, zal je lot zijn."
(Brihaharanyaka Upanishad IV-4-5)
Het is aardig om te vertellen dat die Indiase woorden, Brihaharanyaka Upanishad, betekenen: "Grootse woorden die worden uitgesproken wanneer je dichtbij de voeten van de meester zit". Die betekenis onderstreept tegelijkertijd dat wij mensen lerende wezens zijn, en vooral willen we er achter komen wie we zelf zijn, we willen meer en meer in contact komen met onze binnenkant.
De Upanishaden, de wijsheidsteksten uit India dus, stammen, voor zover wij weten, uit de periode rond 1500 jaar voor Christus, het is ongeveer de zelfde periode als die waarin de psalmen uit het Oude Testament zijn opgeschreven.
Uit de vier regels uit de Upanishad die we hier voor ons hebben blijkt een diep verlangen, en het is ook een aansporing, om in verbinding te zijn met wat je diepe bezielende wens is, immers, hoe je van binnen bent, zo ben je ook van buiten, je diepste wens stuurt je wil, en je daden zullen je levensloop zeer krachtig beinvloeden.
Het is niet altijd makkelijk om die oproep waar te maken, om antwoord te geven op de aloude, religieuze, vraag: wie bent jij, mens? En dat wordt erkend, in oude religieuze literatuur, zoals in die wijsheidsteksten uit India, maar ook in die psalmen 42 en ook psalm 43 uit het joodse psalmenboek (die twee zijn eigenlijk éen grote psalm). Wij weten dat mensen, wij allen, onderhevig zijn, voortdurend, aan een constante schommeling tussen angst, diepe levensangst, en vertrouwen, moed om te kunnen bestaan.
Zo maken we bijvoorbeeld kennis met de beeldende taal van psalm 42. Daarin wordt de mens, die smacht naar God (en je zou kunnen zeggen dat dat "smachten naar God" net zoiets is als het innige verlangen wat je kunt hebben naar de erkenning van je bestaan), vergeleken met een hert dat de uitputting nabij is en verlangt naar water.
Veel energie gaat immers zitten in het verlangen zó aanvaard te worden als je werkelijk bent, je wordt er soms doodmoe van om te ervaren dat anderen jou graag anders zien dan je bent, dat is uitputtend! In mijn praktijk maak ik het wel mee dat bijvoorbeeld mensen die homosexueel zijn en daarover nog steeds een innerlijke strijd voeren, veel energie steken in "anders-zijn" dan ze zijn, en daardoor uitgeput raken. Het is niet eenvoudig te zijn die je wezenlijk bent! Vandaar dat we spreken over mens-wórden!
De tekst van een oude berijming van die psalm 42 zegt het eigenlijk nog steeds heel treffend: (ik vond hem in de oude liederenbundel van de NPB). Let U eens op de vertwijfeling die er in wordt uitgedrukt, én ook op de hoop dat het vertrouwen herwonnen zal worden:
"
't
Hijgend hert, der jacht ontkomen,
schreeuwt niet sterker naar 't genot
van de frisse waterstromen,
dan mijn ziel verlangt naar God.
Ja, mijn ziel dorst naar de
Heer,
God des levens, ach, wanneer
zal ik naad'ren voor uw ogen,
in Uw huis Uw naam verhogen?....
Maar de Heer zal uitkomst
geven,
Hij, die 's daags Zijn gunst gebiedt;
'k zal in dit
vertrouwen leven
en dat melden in mijn lied,
' k zal Zijn lof zelfs in de
nacht
zingen, daar ik Hem verwacht,
en mijn hart, wat mij moog' treffen,
tot de God des levens heffen."
De term " 't hijgend hert " is prachtig en ook
dubbelzinnig, het beeld is het vermoeide hert, het vermoeide
dier, maar ook is het op te vatten als "het vermoeide
hart" (oud hollands woord hert ipv. hart) van een mens die
geplaagd wordt door de gejaagdheid van het leven en door de
onzekerheid over het nut, de zin, van zijn bestaan.
Over dat thema, over die uitputting, over dat smachten, over het energie-vretende proces van erkenning van het feit dat je een mens bent, en geen opgejaagd dier, heb ik vandaag een mooi verhaal. U weet vast wel dat ik graag Franse literatuur lees. En nu trof ik een juweeltje aan van een verhaal, eigenlijk is het een oude mythe van het eiland Martinique, het verhaal over de oude slaaf en de bloedhond, het is geschreven, in prachtige taal, door Patrick Chamoiseau. Hij woont op Martinique, een van de door Frankrijk beheerde Antillen, in het rijtje waar ook onze Bovenwindse Eilanden Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten liggen. Hij is daar ook geboren en daarom gebruikt hij in zijn verhaal vooral de taal van die eilanden, hij houdt ervan, dat kun je merken.
Het verhaal is overigens schitterend vertaald zodat we ook in het Nederlands kennis maken met nieuwe woorden.
Het gaat over die grote menselijke thema's: angst, en verlangen om erkend te worden, en het begint zo:
"Ten tijde van de slavernij op de suycker-eylanden was er een oude neger zonder oproerigheid, zonder branie of geweldigdoenerij. Hij hield van stilte, genoot van alleen zijn. Hij was een rots van roerloze berusting. Een onuitputtelijke bamboestengel. Men zei dat hij weerbarstig was als de aardbodem in het Zuiden of als de schors van een boom van meer dan duizend jaar. Toch zegt het Woord dat zijn levensvlam op een dag zomaar zo oplaaide."....
De Plantage bezit honderdzevenenzestig slaven, vrouwen en kleingoed inbegrepen. Twee mengbloed bastiaans dirigeren de dagelijkse werkzaamheden. De Plantage is het eigendom van een Planter-Meester met een dubbele naam die galmt als een klok.
Hij hult zijn almachtigheid in wit linnen en een met stof overtrokken helm, die hem de allure geeft van een of andere conquistador, die uit de plooi van de tijd is komen vallen....
In zijn weinige vrije tijd en na de zondagse vesper aait hij een vervaarlijke bloedhond, die de lamzakken moet opsporen die de slavenarbeid ontvluchten"....
De schrijver vervolgt: "Ik wil hier deze gruwel aan de kaak stellen: niet de zo dikwijls verbeelde ellende, maar de ontzagwekkende onmenselijkheid die schepsels hanteerde als waren ze levenloze, nameloze massa...."
Het verhaal is een oermythe uit de Caribische wereld. De oude slaaf woont al jaren op de plantage. Hij is zo oud dat niemand zijn voorgeschiedenis meer kent. Zelf kent hij die ook niet, want hij heeft geleerd zijn verleden te vergeten en zich volkomen af te sluiten van iedereen, zelfs van zichzelf. Hij kent geen emoties meer, geen gedachten. Hij reageert stoďcijns op alles om hem heen. De aankomst van een nieuwe slavenboot, vol uitgeputte slaven - zijn eigen volk - doet hem niets meer; de dansen en de muziek van de slaven op de plantage dringen niet tot hem door; de verhalen van de Vertel-Papa bereiken hem niet. Des te vreemder is het dat hij op een dag vertrekt. Niet op de manier waarop de anderen vluchten. Zij krijgen last van een "ontlading", een plotselinge aanval van wanhoop, angst of paniek en plegen spontaan zelfmoord of gaan er in een opwelling vandoor. De oude slaaf heeft zijn ontladingen al lang geleden onder controle weten te krijgen. De verandering wordt veroorzaakt door de komst van de vervaarlijke bloedhond op de plantage. Iedereen is doodsbang van het beest. De oude man heeft de hond steeds genegeerd, is zonder hem aan te kijken langs zijn hok gelopen. Maar in de hond heeft hij zichzelf herkend. Ook de hond is met een slavenboot aangekomen en heeft aan boord dezelfde behandeling gekregen. Geslagen en uitgehongerd heeft de hond leren haten.
Op een nacht vertrekt de oude slaaf. Hij holt het Grote Bos in.
Blind door het duister en geplaagd door hallucinaties die hem
beangstigen, voelt hij niets van takken die hem striemen en
doorns die hem verwonden. Gejaagd rent hij maar door en gaandeweg
wordt hij zich weer bewust van zijn lichaam. Zijn lichaam wordt
weer van hem. Langzaam vermengen de waanbeelden zich met
herinneringen, waarvan hij niet meer wist dat hij ze had. Hij
raakt gewend aan het duister. Het licht van de ochtend is zo fel,
dat hij een blinddoek voor moet doen. In de verte hoort hij de
hond die zijn spoor volgt. Hij rent en rent, en rent en rent!
Heel aangrijpend wordt dat beschreven. Zijn visioenen voeren hem
terug naar zijn jeugd, hij ziet flarden van oude rituelen,
maskers en weefsels, hoort eeuwenoude gezangen, de taal en de
mythen van het oude land. Als hij even de hond niet meer hoort,
rust hij een tijdje en doet zijn blinddoek af. Dan slaat de
paniek opnieuw toe en begint hij weer te hollen. Hij valt in een
moerassige bron, zakt helemaal tot op de bodem, maar weet zich
daar uit te redden en holt weer verder.
Die moerassige bron is voor hem een diepte-ervaring, een soort doop geweest, hij wordt rustiger, de chaos en het tumult in zijn geest verdwijnen. De "oude slaaf", over wie de schrijver vertelt, verandert, hij evolueert, in de loop van het verhaal van "de oude man, die eens slaaf was", naar een "ik". Zó staat het geschreven: ..."Hij zag nog steeds rood. Hij zag troebel. Hij zag dubbel. Licht was sterk maar vooral schel. Het kwam van buitenaf, zonder twijfel van binnenuit, en bestraalde hem zoetjes. De dingen rondom waren vormloos, zwevend, als uitgestald achter een glashelder water, IK sperde mijn ogen om beter te zien, en de wereld werd geboren zonder schaamsluier. Een plantaardig geheel van een dwingende vreedzaamheid. IK. De bladeren waren talrijk, groen in eindeloze variaties, ook wel oker, geel, bruin, gekreukt, fonkelend, en ze tierden in baldadige wanorde. IK. De lianen zochten de grond op om zich nog inniger te verstrengelen, wortel te schieten, uit te spruiten. IK kon mijn ogen opslaan en die bomen zien die me zo angstaangjagend hadden toegeschenen in hun wijde nachtjurken. IK kon ze eindelijk bekijken...."
De oude slaaf, die een IK
geworden is, besluit om het gevecht met de hond aan te gaan, hem
op te wachten en met een stok de schedel te verbrijzelen.
Dit mislukt, maar de hond raakt danig in de war. Uiteindelijk
komt het tot een confrontatie bij een eeuwenoude steen die in een
ravijn ligt en er de doorgang blokkeert. Deze steen is volgekrast
met tekens en symbolen van de vroegere bewoners van het land en
verhaalt van hun levens en hun dromen. Hij ontmoet echte mensen
in hun verhalen, en voelt zich verwant met hen, hij is zelf ook
een echt mens geworden en niet langer een slaaf!
Het is voor hem een kosmische ervaring, een besef van het
wezenlijke van het bestaan, een begrijpen van de eeuwigheid, de
zin van leven en sterven.
Ook de hond en de meester ondergaan een loutering op hun tocht
door het bos. De meester, die zijn hond al snel heeft moeten
laten gaan en doodsbang en eenzaam het spoor probeert te volgen,
zal als een veranderd mens op zijn plantage terugkeren, in ieder
geval bescheidener.
Het verhaal is een allegorie, een verbeelding, van het leven van
de mens, die, blind voortgejaagd door onbenoembare angsten, en
ook door verwachtingen en eisen aan hem gesteld, tot de bodem van
de put zinkt, daar uit klautert, langzaamaan rust vindt en
uiteindelijk tot inzicht komt, en antwoord leert geven op de
(algemeen-religieuze) vraag: "Wie ben jij?" Het
antwoord: " Ik ben slaaf geweest, ik ben een opgejaagd dier
geweest door alle eisen die het leven aan me stelt, maar ik word
een IK, ik word mens die zijn plaats innemen mag in dit bestaan
op deze aarde".
De Brihaharanyaka Upanishad houdt het ons voor dat we ten diepste mens zijn! En, dat we, o.a.door stilte en meditatie, maar dus ook door een wilde rén-tocht of door een crisis-ervaring, er achter kunnen komen wie we zelf zijn.
"Je bent wat je diepe bezielende wens is,
zoals je wens is, zal je wil zijn,
zoals je wil is, zullen je daden zijn,
zoals je daden zijn, zal je lot zijn."
Psalm 42 en 43 erkennen onze twijfel en ons smachten naar erkenning, en roepen op tot het niet verliezen van hoop,
Het verhaal uit de Cariben over de oude slaaf en de bloedhond leert ons dat het wel een moeizame tocht is, ons leven, waarin we van tijd tot tijd het hijgende hert in onszelf tot rust moeten laten komen. Maar er kómt een moment waarop we het beleven zullen en dat we zullen zeggen: ja, het is goed dat ik er ben, en niet: sorry dat ik besta.
Dat is een gouden ervaring, dus is het iets van God!
Amen.
Jeanne Traas-Hageman